Genetica

Op deze pagina wordt geprobeerd om de genetica die achter de kleurvererving schuilt zo goed mogelijk uit te leggen.
Alle kleuren die vermeld staan in het kleurenoverzicht worden hier nader uitgelegd. De pagina is nog niet compleet maar om de zo veel tijd zal er weer een stukje bij komen. De meeste informatie moet eerst van Engels naar Nederlands vertaald worden en dan nog zo verwoord dat het ook nog te begrijpen is.


Eerst wat meer info over genetica in het algemeen. Alle uiterlijke eigenschappen staan gecodeerd in het DNA.
Hieronder uitleg over enkele termen die nog vaak terug zullen komen. De uitleg is grotendeels overgenomen van www.hondengekte.nl

Chromosoom: Een chromosoom bevind zich in de celkern van elke cel. De chromosomen bevatten stukjes DNA. Iedere diersoort heeft een andere hoeveelheid chromosomen. Een mens heeft er bijvoorbeeld 46 (23 paar chromosomen), maar een hond heeft er 78 (of 39 paar). Veel van deze chromosomen komen per twee voor (per type en per kenmerk). Er is altijd één paar chromosomen dat het geslacht bepaalt. Iedere pup krijgt 1 geslachtschromosoom van zijn vader en 1 van zijn moeder. Een vrouwtje heeft 2 X chromosomen een mannetje 1 X en 1 Y. Wanneer dit in een schema gezet wordt ziet dat er zo uit als de tabel hier onder. Zoals te zien is ontstaan er 2 combinaties met XX en 2 met XY. De kans op een meisje is dus even groot als de kans op een jongen (50-50)
XX-XY

Genen en Allelen: Ieder chromosoom bestaat uit genen (stukjes DNA). Ieder individueel gen bepaalt een specifieke erfelijke eigenschap. Denk daarbij aan oogkleur, lengte van de vacht, lengte van de staart enz. Als er meerdere genen informatie bevatten over hetzelfde kenmerk, dan wordt dit koppel van genen een “allel” genoemd. Een allel zorgt dan voor de specifieke uiting van een bepaald gen.

Homologe Chromosomen: Dit zijn twee overeenkomstige chromosomen in een celkern. Doorgaans komen chromosomen voor in paren van homologe chromosomen. Daarbij komt één exemplaar van de moeder en één van de vader. Hoewel twee homologe chromosomen een gelijke opbouw hebben zijn ze niet identiek. Ze bevatten dezelfde genen, op dezelfde plaats, maar met andere genetische informatie. Dit komt doordat de allelen verschillend zijn. Beide homologe chromosomen kunnen bijvoorbeeld coderen voor de oogkleur, maar de ene voor blauw en de ander voor bruin.

Homozygoot en Heterozygoot: Als de allelen van een bepaald kenmerk op beide homologe chromosomen (een chromosomen paar) gelijk zijn dan spreekt men van een homozygoot. In dat geval geven dus allebei de chromosomen de oogkleur blauw. Als de allelen van een bepaald kenmerk op beide homologe chromosomen niet gelijk zijn dan spreekt men van heterozygoot (de een blauw en de ander bruin). Slechts 1 van de twee komt dan tot uiting.

Fenotype en Genotype: Het fenotype zijn alle zichtbare eigenschappen. Denk aan oogkleur, pootlengte, haarkleur etc. Een voorbeeld is de zwarte kleur van een zwart witte hond. De informatie over erfelijke eigenschappen die zijn opgeslagen in het DNA noem je het genotype (een zwart witte hond die bijvoorbeeld bruin draagt, bruin is dan een genotype). Bij het fenotype speelt behalve het genotype (de erfelijkheid) ook het milieu een rol. Als kenmerken niet te wijten zijn aan genen maar wel aan het milieu dan spreken we van modificaties. Deze zijn dus niet erfelijk of blijvend (denk aan vachtverkleuring door de zon). Als kenmerken niet te wijten zijn aan genen, maar wel aan individuele verschillen dan spreekt men van fluctuaties. Denk daarbij aan een nest met pups waarbij iedere pup (ondanks dezelfde genen) een verschillend karakter hebben.

Dominant en Recessief: Het allel dat tot uiting komt in het fenotype van heterozygote chromosomen is dominant (sterker). Bij het voorbeeld van de zwart witte hond die bruin draagt is zwart dus dominant. Het allel dat niet tot uiting komt in het fenotype is recessief (zwakker), in dit geval dan dus bruin. Dominante chromosomen worden altijd met een hoofdletter aangegeven, recessieve chromosomen met een kleine letter.

Agouti factor: bij alle kleuren is de A (agouti) factor de basis. Deze bepaald op welke plekken de kleur komt te zitten en heeft dus niets te maken met de basiskleur zelf. Zoals de X en Y chromosomen het geslacht bepalen bepalen de chromosomen die bij de A factor horen dus kleur verdeling. De volgende combinaties komen voor:
– a         
(volledig gekleurd)
– ay       
(de y staat voor sable)
– aw      (zorgt voor “wildkleur maar komt niet voor bij border collies)
– asa     
(sa staat voor saddle en geeft zadel driekleur)
– at        
(t staat voor tri en geeft driekleur)

Omdat chromosomen altijd in paren voorkomen, heeft iedere hond twee van de bovenstaande A-factoren. Een hond kan zowel twee het zelfde soort A-factoren hebben, als twee verschillende. De dominantie bepaalt dan het uiteindelijke uiterlijk van de hond. Hieronder een opsomming van wanneer welke kleur tot uiting komt, aw laten we weg omdat dat hij borders niet voorkomt:

– aa                                   Volledig gekleurd
– 
aay, ayay, ayasa, ayat  Sable
– 
aasa, asaasa                   Zadel driekleur
– 
aat, atasa, atat              Driekleur

K gen: het K gen wordt ook wel “dominant zwart” genoemd en bepaald of het agouti gen tot uiting komt of niet. Een hond die twee K allelen heeft (KK) zal volledig gekleurd zijn, ongeacht zijn/haar agauti factor. Een hond met Kk allelen zal ook volledig gekleurd zijn maar kan wel pups krijgen die driekleur of sable zijn. Alleen bij een hond met twee k allelen (kk) zal de agouti factor tot uiting komen.

Hieronder een opsomming van de combinaties en hun werking:
– 
KK, Kk, KKbr   Dominant zwart
– 
KbrKbr, kKbr  Brindle
– 
kk                    De agouti factor komt tot uiting (wanneer deze aa is is de hond alsnog volledig gekleurd)


Voor een compleet kleuren-overzicht kun u vinden in “De Border Collie >> Kleuren